Mr.Cools' Planet - Welkom! Welcome!

Traveling and Writing
This website is about traveling and writing. Being on the move and being emotionally moved. Two different but interconnected things. Spotting places and losing your heart. Temples, pyramids, cities and ruins, forests and mountains, valleys and rivers, volcanoes and lakes, daily life in the streets, the world as habitat for writing.
Read on: In the year 2000

The Author
Derk Cools was born in 1939 in Den Haag / The Haque, the Netherlands. He got his degree in social geography and economics at the University of Utrecht(1958). As a civil servant with the Ministry of Economic Affairs, he developed expertise in regional (economic) planning at home and abroad. In 1994, he retired and moved to the Netherlands Antilles, the island of Curacao. Read on: Since 1995, he traveled

07 augustus 2016

long time , no see(n)



Excuses. I moved to another place on the island. I read, however, quite some literature and published two articles in the Amigoe/Ñapa, see
                  Boekbesprekingen of this website

16 april 2016

Lezen van Literatuur


 gepubliceerd in de onderstaande Ñapa van het dagblad de Amigoe

http://www.amigoe.com/?option=com_amigoe_download_pdf&file=PDF%20napa/09-04-2016na.pdf


Literatuur lepelen als soep uit een dampend bord


(Lezen kan iedereen behalve de analfabeet. Romans lezen is lastig, gedichten lezen vaak nog lastiger. De lezer krijgt soms het gevoel analfabeet te zijn. Maar, als het goed is, amuseert hij zich uiteindelijk toch kostelijk. Hoe doet hij dat?)

Hoe kun je beter demonstreren wat ‘lezen’ is dan door romanschrijvers zelf aan het woord te laten. Niet er omheen draaien, van allerlei gewichtigs te berde brengen, maar citeren, op het gevaar af dat de tekst een eigen leven gaat leiden. Daar is in feite niets op tegen, want de tekst in zijn isolement dringt zich nog krachtiger op. Het is vergelijkbaar met het maken van een foto. Je kijkt door de zoeker en zet een frame om het geselecteerde blikveld heen. De ruimte en de objecten komen dankzij het frame scherper uit. Met een citaat gebeurt hetzelfde, de tekst wordt markanter. Wel kan het bezwaarlijk zijn als je slechte bedoelingen hebt en de tekst doelbewust uit zijn verband rukt. Het is niet mijn opzet om te citeren en de lezer zijn eigen oordeel te ontnemen. Het doel is de tekst voor zich te laten spreken.
In de loop van de tijd heb ik een protocol ontwikkeld dat me goed bevalt, niet altijd met succes maar doorgaans toch zeer geslaagd. Ik heb me aangeleerd om  de eerste zinnen van een roman bij herhaling te lezen, te fotograferen als het ware. Cruciaal zoals de openingszet bij het schaakspel. Ik ruik met de neus van de roman. (Gogol verstopte de neus in een brood.) Ik snuffel door de tekst zoals een hond een geurspoor volgt over het bospad en door de struiken. Ik geef toe dat niet alle romans zich hiertoe lenen. Hier een proeve van het protocol.
De openingszet van La Superba, geschreven door Ilja Pfeijffer 'Het mooiste meisje van Genua werkt in de Bar met de Spiegels. Ze draagt dezelfde nette kleren als alle meisjes die daar werken. Ze heeft ook een vriendje dat haar af en toe opzoekt wanneer zij werkt. Hij heeft gel in zijn haar en draagt een t-shirt zonder mouwen waar soho op staat. Hij is een klootzak.’ Een romantisch en ook wel alledaags begin. En dan, in één klap pakt Pfeijffer al het moois af: ‘hij is een klootzak.’ Verrast? Ja, misschien lees je er over heen, maar dit hier is de Bar met Spiegels. De bar van schone schijn en ijdelheid? Wat is verbeelding en wat werkelijkheid als je zit in de Bar van de Spiegels? Dit is misschien een variant op het sprookje ‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,wie is de mooiste in het land?’
De bijna vergeten schrijver A. Alberts begint zijn kort verhaal ‘Moeras’ met de woorden:‘Tegen de middag kwam ik in het dorp van Naman, maar men vertelde mij daar, dat Naman tien kilometer verderop was gaan wonen. Achter het moeras, zeiden ze.’ Ook hier hetzelfde als bij Pfeijffer: de schrijver voert Naman op en serveert hem meteen weer af. Mooie introductie van een figuur! ‘En hoe kom ik door het moeras vroeg ik?’ Een soortgelijke beweging in de tekst: ‘Ja, er waren twee paden, een hoog en een laag.’ Niet de man en niet het moeras, maar het beeld. Alberts zegt in een interview dat niemand weet waar het moeras is.
De Portugese schrijver Gonzalo Tavares opent zijn roman Jerusalem met: ‘Ernst Spengler was alone in his attic apartment, getting ready to throw himself out of the window, when the telephone rang.’ De naam Spengler – im Westen nichts Neues - alleen al doet ondergang vermoeden. Spengler is alleen. Klaar om zich uit het raam te werpen. De telefoon gaat. Wat nu?
De Italiaanse schrijver Silvio D’Arzo begint zijn verhaal ‘Erfzonde’ met:‘In die tijd dacht ik nog dat een miljoen één onmetelijk groot biljet was en dat wonen op de vijfde verdieping in de Via Valestri 9, met een maar iets langere broer, niet een onbetekenend aards verschijnsel was, maar niets minder dan een manier van zijn op aarde.’ Dat beeld van het biljet, het hoog wonen, de langere broer, wat een combinatie. Wie vraagt nu, wanneer hij dit leest, waar dit gebeurt.
Deze openingszinnen bevallen me. Het zijn verrassende of raadselachtige teksten uit het onmetelijk land der verbeelding. Het begin smaakt naar meer. Lezen is eigenlijk als soep eten. Wanneer de soep te heet is, moet je eerst blazen. Geen bellen, maar luchtig, met beleid lucht verplaatsen zodat de soep afkoelt. Pas wanneer er geen damp meer af komt, je bril niet meer beslaat, komt het aroma vrij. Ben je te gulzig dan brand je je lippen, tong of verhemelte of alle drie. Het zal je nog lang heugen. Je bent gewaarschuwd door je lusten - maar te laat. Dunne soep moet je dunnetjes eten, langzaam, kleine schepjes, mondjesmaat, koket als je wilt. Knoeien is onvermijdelijk, een servet onmisbaar, nodig om de vlekken op je hemd af te poetsen. Dikke soep eten kan met grote scheppen. Een beetje jongleren met de lepel komt wel van pas, wanneer er sliertjes groente, stukjes vis in zitten. Slobberen dus. Het lijkt op sjoelbakken, de steentjes door de poortjes persen. Soep slurpen tenslotte is onbehoorlijk, tegen de etiquette, maar wel het allerlekkerst om te doen. Dat doe je als niemand kijkt, thuis of wanneer je alleen bent in het restaurant. Je proeft de soep beter, zeg je tegen jezelf, terwijl je je mond met het servet afveegt. Het aroma van de soep dringt door in je neus, tot hoog in je hersenen. Soep eten is een kunst, die je moet leren. Liefst al wannneer je nog klein bent. Hetzelfde geldt voor lezen. Des te eerder kom je toe aan literatuur, aan beheerst slobberen en slurpen zonder je mond te branden. En à propos, soep wordt in de keuken bereid of in de fabriek gemaakt. Verschil moet er zijn. Met literatuur is het niet anders. Er is lectuur en literatuur. Lectuur is voor het alledaags amusement, literatuur is voor de fijnproever. Lectuur komt uit de fabriek (van de uitgever), literatuur uit de keuken van de kunstenaar.
Lezen moet je doen. Eindeloos oefenen. Roeren, blazen, lepelen, proeven. Anders leer je nooit de 'jouissance' kennen waarover Roland Barthes het heeft – the pleasure of the text genieten. Soms is ‘the pleasure’ duivels – het einde van de wereld nabij. De lezer moet zich schrap zetten om niet neer te gaan. Incasseren moet hij of meebuigen als het bamboeriet.
In een brief van Eveline Vanfraussen (theater wetenschappen) aan de liefhebbers van lezen en schrijven in het oudste Vlaamse, literaire tijdschrift DW&B suggereert ze om ‘lezen’ te zien als een alledaagse bezigheid zoals strelen, koken, wassen etc. Hierboven heb ik ‘lezen’ vergeleken met een specifieke bezigheid als ‘soep eten.’ In haar brief zegt zij dat de bezigheid wordt voltrokken met volledige inzet van de uitvoerder. Niet soep eten of lezen alléén met je verstand maar met volle inzet van de zintuigen. Oog, oor, mond, neus, hand. Slurpen dus, op volle toeren.(Hoor je het?) Lezen door het dolle heen. Niet om het verhaal, de spanning, maar om de tekst, de taal. Je eet soep niet om je bord leeg te krijgen – alleen in geval van honger (zoals het jongetje in ‘de Kip die over de soep vloog’ van Frans Pointl). Soep eten doe je om de smaak en het aroma. Om dat wat je niet in de soep of in de soepkom vindt, maar om wat ontsnapt uit de soepkom bij het lepelen. Het is aanwezig in de bezigheid dankzij jouw inspanning en overgave. Even wordt de tijd opgeheven, raakt de bezigheid aan de eeuwigheid, geurt het aroma.
Een roman lezen om de ontknoping is als soep eten om zo snel mogelijk je bord leeg te hebben. Je consumeert de soep. (De Japanse schrijver Junichiro Tanizaki beschrijft in zijn boekje Lof der Schaduw met grote precisie en bijna sadistisch genoegen het verschil tussen soep in een Japanse kom van donker lakwerk (licht van gewicht) en in het bleke, ondiepe, Westerse soepbord. Geen groter verschil in smaak en schoonheid, in cultuur van de zinnen.) De roman dreigt een consumptieartikel te worden, wanneer je slechts leest om de afloop. Het boek wordt deel van de (kapitalistische) consumptiemaatschappij, een verbruiksartikel. Het lezen is geen bezigheid, maar een activiteit met een ander doel: tegen verveling, uit rusteloosheid, tijdverdrijf, afleiding, gezelligheid in boekenclubjes, status, kijk mij eens, etc. En dan vergeet ik nog dat men vaak leest om de herkenning – niets verbeelding, maar vragen in welk land, over wie en wanneer het gaat! Lezen begint dan te lijken op het meedoen aan een wielerwedstrijd, op hoogspringen, een huis, een brug of stad bouwen enz. De ontknoping is de beloning, maar slechts voor even.
Wie niet van soep houdt, kan het eens proberen met tuinieren. Mijn oude moeder heeft jaren gewerkt in haar rozentuin, geknipt, de aarde geroken, gewroet met blote handen, zwarte nagelranden gekregen en pijn in haar rug. Toen ze jong was, deed ze de was om een hoger doel, schone kleren voor haar kinderen – zonder pijn in haar rug en vuile handen, gelukkig. Tuinieren was voor haar een bezigheid, de was doen een activiteit. Wie dit nog niet duidelijk genoeg vindt, vergelijkt lezen met luisteren naar muziek. Er zijn weinig mensen die naar een concert gaan om te horen hoe het muziekstuk afloopt. Beethoven plaagt de luisteraar ermee.
En dan nog dit, tenslotte. Ooit las ik een mooi onderscheid tussen verhaal- en taalgedreven romans. De stuwkracht in deze romans is verschillend, ook voor de lezer. Hij wordt bij de verhaalgedreven roman voortgetrokken door de spanning, het drama, de tragiek, de intrige en de belofte van een ontknoping. Lineair lezen. De verhaalgedreven romans zijn talrijker in hun soort en trekken van de weeromstuit meer lezers, die graag willen vertellen wat ze gelezen hebben – de inhoud (kippe- of geitensoep). Het verhaal domineert de stijl en de structuur, drijft de lezer naar het einde. Er is geen reden voor verzet of verweer, want het draait om het verhaal. Taalgedreven romans en novelles echter munten uit door hun aroma, hun geur, de klank, de taal. Spanning doet minder terzake en een plot ontbreekt vrijwel geheel. Noem het meanderend lezen. Natuurlijk kennen deze romans ook een verhaal – net als een plek - maar min of meer noodgedwongen. Voorbeelden van taalgedreven schrijvers zijn A. Alberts, Charlotte Mutsaerts, Jeanette Winterson, Herta Müller, Ilja Pfeijffer. Een onderhoudend gezelschap, dat je voorlopig bezig houdt en meestal verleidt tot herlezen. Maar elk onderscheid, hoe spitsvondig ook, is ook weer zo klungelig, dat het maar zelden werkt. Daarom van een taal- èn verhaalgedreven schrijver, A.F.Th. van der Heijden, de beginzin van zijn laatse roman ‘Ochtendgave’: De beul werd ongeduldig. Het snelrecht liet nog tijd voor inwilliging van een laatste wens van de terdoodveroordeelde: het losmaken van zijn hemdsknopen. Ze waren van goud. En nu als lezer ervoor zorgen de teugels van het ongeduld in eigen hand te houden.

Derk Cools


10 maart 2016

charlie bloem




Even houdt hij stil op de stenen buitentrap, dan danst hij verder
omhoog, het achterterras van het huis op. Bij de lange houten tafel
draait hij zich om, kijkt tegen het zonlicht in, trekt zijn linkerbeen
bij, stopt de dans. Daar staat hij, Charlie Bloem, advocaat in ruste.
Ouder al, groeven in het gezicht, maar vitaal en veerkrachtig. De
glazen op het dienblad rinkelen nog na, licht glinstert in gemorst
water op de tegelvloer. Valencia, denkt hij nog half verblind door
het zonlicht. Ze zou het water met een doek van de tegels vegen
zonder een woord te zeggen. Ook woorden kun je beter niet
verspillen. Valencia ver weg, over zee, zit achter haar huis in de tuin
met hortensia’s en pioenrozen, glimlacht, zegt niets, geen woord.

19 februari 2016

Umberto Eco, Shadows of the Mind

                                                        Books, Shadows of the Mind

Misschien een goede herinnering aan Umberto Eco, die vandaag is overleden. Hij schreef een meesterlijk stuk over de begraafplaats.

12 februari 2016

Picture or Drawing

Readers prefer pictures? Pictures prefer readers? Is this a picture or a drawing? What's the difference? Who reads today an essay? For example, an essay about writing in exile? Or: travel with Kafka and Winterson. Or a book called a novel or a novel called a book? For example Charlie Bloem subtitled as a detective The Vandalsky Papers?  Readers prefer stories not novels?

03 februari 2016

Schrijven in Ballingschap (in Amigoe Napa 16 01 2016 blz 6)





Schrijven in Ballingschap
Over Ontheemding in de literatuur
Deze maanden staan de kranten vol over de grote stroom vluchtelingen in Europa. Onder deze migranten bevinden zich ongetwijfeld ballingen. Mensen, die niet terug kunnen naar hun vaderland. Mensen, die in een nieuw land moeten aarden. Mensen die in een andere taal moeten leren denken. Kinderen, die diep getraumatiseerd (kunnen) zijn. Wat dat precies betekent vind je heel goed terug in het literaire werk van Agóta Kristóf, die in 1956 na de Hongaarse opstand tegen de Russische bezetter vluchtte naar het Westen. Ze is een schrijver in ballingschap ten voeten uit. Haar hoofdwerk ‘de Tweelingen Trilogie’ laat naar mijn idee goed zien hoe diep ballingschap de ziel kerft en de wereld totaal op zijn kop zet. Haar Trilogie is een sprekende illustratie van dit schrijven in ballingschap. Ontheemding als literair onderwerp. Wat dat inhoudt, zal ik aan de hand van deze Trilogie toelichten. Maar eerst iets over het bizondere moederland van Agota Kristóf in hartje Europa.
Boedapest aan de Donau
In 1956 zat ik als 17-jarige jongen gekluisterd aan de radio te luisteren naar reportages over gevechten in de straten van Boedapest – de hoofdstad van Hongarije - over het binnenrollen van Russische tanks en de vlucht van opstandelingen naar het Westen. Ik herinner me nog goed het gevoel van machteloosheid. In 1969 kwam ik voor het eerst van mijn werkzaam leven in Boedapest. Op het terrein van de handelsbeurs had Nederland een economische voorlichtingsstand, waar het portret van de toenmalige koningin Juliana hing en veel oudere mensen nieuwsgierig een kijkje kwamen nemen. Ze vertelden me dat na de Eerste Wereldoorlog veel leeftijdgenootjes als ondervoede kinderen tijdelijk in Nederlandse gastgezinnen waren opgevangen. Deze kinderen waren eigenlijk vluchtelingen van de Eerste Wereldoorlog en zij waren dat niet vergeten. In het begin van de jaren negentig, keerde ik terug als adviseur voor herstructurering van de Hongaarse industrie. Het IJzeren Gordijn in Midden-Europa was inmiddels opgetrokken. Er was weer vrij verkeer van personen tussen de landen in Europa. Boedapest was niet meer de spookstad van brede boulevards zonder auto’s, maar een levendige stad van druk bezochte terrasjes en winkels, een bruisende metropool aan de Donau. De afgelopen twee jaar ben ik opnieuw in Boedapest geweest en logeerde er in een hotel aan het plein bij het Keleti treinstation. De plek waar deze zomer duizenden migranten bivakkeerden zoals dagen lang op de TV te zien was.
Het Jugendstil Boekcafé
Aan de voorname Andrassy boulevard in Boedapest bevindt zich een prachtig Jugendstil gebouw met de naam Paris, het zgn. Bookcafe. Het huisvest een boekhandel van drie verdiepingen hoog. Bovengekomen met de roltrap stap ik een zaal van geboende vloeren en kristallen luchters binnen. De spiegelwanden vermenigvuldigen de glazen op de bar en brengen de obers in beweging. Hier drinkt men koffie en eet Sachtertorte zoals gebruik was in de tijd van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie onder regie van de Habsburgers. Men leest hier het boek dat men in de winkel beneden heeft gekocht.
Temidden van de overvloed aan Hongaarse boeken is er een kleine afdeling buitenland, heel klein. Voor de buitenlander een beetje de omgekeerde wereld. Maar Hongaarse boeken moeten nu eenmaal worden vertaald. Het Hongaars is een vreemde eend in de zee van Indo-Germaanse en Slavische talen rondom. Volgens linguisten behoort het Hongaars tot de Finno-Oegrische taalgroep. Alleen al om de bizondere taal heeft Hongarije een geheel eigen identiteit.
Maar terug naar de boekhandel. Ik sprak met de boekhandelaar over Hongaarse schrijvers als Sandor Marái, György Konrad en Imre Kertész (Nobelprijswinnaar in 2006). Ik zei hem dat ik ook het werk van Agóta Kristof op de plank had gezien. Hij trok zijn wenkbrauwen op en zei ‘Ja, zij is, geloof ik, meer bekend in het buitenland dan in Hongarije.’ Ik lachte ter geruststelling, ‘Natuurlijk, ze heeft haar romans geschreven in het Frans, maar ze is een groot Hongaars schrijver. Ze is na haar vlucht uit Hongarije haar leven lang, wat je noemt, een schrijver in ballingschap geweest. En haar boeken dragen daarvan de sporen.’
Agóta Kristóf (1935-2011)
Kristóf is bekend om de Trilogie van de Tweeling, bestaande uit ‘het Dikke Schrift’, ‘het Bewijs’ en ‘de derde Leugen’.* Ik vind het bij uitstek intrigerend als werk van een balling, omdat ze de trilogie heeft ontdaan van Hongaarse karakteristieken. Het leven van de Tweeling speelt zich af in een land zonder naam en een tijd zonder jaartallen, hoewel het verhaal duidelijk in Midden-Europa is gesitueerd. De vertelling vindt plaats in een tijdloze herinneringsruimte. Het maakt het werk universeel, herkenbaar ook voor elke balling. Tegelijkertijd zegt Kristóf in een interview dat de hoofdpersoon in wezen de grensplaats K. is, die geinspireerd is op het stadje Köszeg, waar ze haar jeugd in een internaat heeft doorgebracht nadat ze van haar broertje was gescheiden. Kristóf kwam na haar vlucht in Zwitserland terecht. Daar werkte ze als arbeider in een horlogefabriek – hoe kan het anders? Ze sprak, las en schreef geen woord Frans. Ze was analfabete en leefde in een sociale en culturele woestijn, naar eigen zeggen. Kristóf zegt dat het Frans haar moedertaal vermoordde. Toch werd haar werk in Hongarije en in Frankrijk bekroond.
De Tweelingen trilogie
De trilogie van Kristóf geeft inzicht in de existentiële schok, die een balling diep in zijn hart ondergaat. In de trilogie vertelt de tweeling Lucas-Claus over het kinderleven in oorlog en armoede. Een jeugdtrauma. In het Dikke schrift is de Tweeling aan het woord, in ‘het Bewijs’ is Lucas (hij) de verteller, in ‘de Derde Leugen’ een Ik, afwisselend Claus of Klaus. De vertellers zeggen dat hun verhaal verzonnen is of moet zijn. Of ze beweren dat het fictie is, die op waarheid berust. Het verwart de lezer (zoals ook de balling voortdurend in verwarring verkeert). Het is niet uitgesloten dat de tweelingbroer (Claus) een bedenksel is. Lucas heeft geen broer. Of wel? Wie ‘het Dikke Schrift’ heeft geschreven, kan zelfs de politie, die onderzoek doet naar de identiteit, niet achterhalen. Het trauma van Lucas is de vlucht over de landsgrens, waarbij hij van Claus wordt gescheiden en de vader omkomt in het mijnenveld tussen de prikkeldraadversperringen. Maar ook dit lijkt bedacht, een verzinsel, fantasie, een leugen. Want in deel drie, de ‘derde Leugen’, vermoordt moeder de vader en raakt Lucas gewond. Hij verdwijnt in een internaat. Over zijn leven in het andere land doet hij er het zwijgen toe.
Waarheid en werkelijkheid verwisselen stuivertje. De lezer wordt opgezadeld met de waarheidsvinding. Stelen, liegen, pesten, folteren, lijden, doden, het is een zaak van overleven voor de tweeling. Het gebeurt aan de lopende band en zonder enig moreel oordeel. De tweeling vindt - heel opmerkelijk - een eigen ethiek uit. Grootmoeder, bij wie de tweeling omwille van hun veiligheid wordt gestald, is hun voorbeeld. Ze is de heks.
Zo ingewikkeld als het verhaal lijkt, zo helder is de trilogie geschreven. De taal is ontdaan van elke versiering, adjectieven zijn geschrapt, informatie is verkozen boven gevoelens. Het is de werkelijkheid die aan het woord is. Kristof ontwikkelt een eigen taal, puur Frans zonder omwegen. Ogenschijnlijk geeft ze direct toegang tot de werkelijkheid, maar daarmee springt levensgroot de paradox in het oog dat de taal niet de werkelijkheid kan onthullen. Het is een systeem dat over de werkelijkheid wordt heen gelegd.
In de trilogie vervult het (dikke) schrift de rol van verdubbeling. Niets is waar, niets is onwaar. Het (her)schrijven is een middel tot overleven. De lezer vraagt zich af: lezen we nu de Trilogie of het Dikke Schrift en van wie is het schrift, van Lucas of Claus? En ook Mathias de aangenomen, kreupele zoon van Lucas, houdt in navolging van zijn stiefvader een schrift bij. Schrijven is een poging de werkelijkheid onder controle te krijgen, de waarheid naar zijn hand te zetten. Maar bij elke pennestreek vindt een transformatie plaats, een kleine of grote verschuiving tussen personen, plaatsen, gebeurtenissen. Of, om dichtbij Kristof te blijven, wordt een Grens overschreden – een fysieke landsgrens, een grens van de identiteit (Lucas of/en Claus), de grens tussen werkelijkheid en waarheid, de grens tussen het ene en het andere totalitaire systeem, tussen leven en dood. Altijd is er in de waarneming het bewustzijn met zijn ongekende inhoud, die vormt en omvormt. Met recht kan men de trilogie omschrijven als grensliteratuur, misschien zelfs als borderline literatuur.


Fantoompijn
Ik denk dat ballingen dit voortdurend ervaren. Zij willen greep krijgen op hun nieuwe omgeving en stuiten op de vraag wie ze zelf zijn en of hun verhaal niet een verzonnen reconstructie van herinneringen is. Het gaat daarbij om eigen herinneringen maar ook om de veranderende verhalen over het leven van vroeger, over het geboorteland, over de geschiedenis van het land, die opnieuw en anders wordt verteld.
De balling ondergaat een tweevoudige crisis: het verlies van het geboorteland en van zijn jeugd. Beide worden onbereikbaar, bestaan niet meer. Alleen de herinnering is er en de reconstructie van de herinnering. Het geheugen is een verzamel-plaats, waar de werkelijkheid zich vermomt of verbergt. (Heimwee is zelfbedrog?) Dit verhevigt de identiteitscrisis. De schrijver/balling gaat een onbegonnen strijd aan om behoud van de eigen ziel. Kristóf diept dit gevecht tot op de bodem uit. In de trilogie laat zij zeggen dat ze ware geschiedenissen wil schrijven, maar op een bepaald ogenblik de geschiedenis onverdraaglijk wordt, juist door haar waarheid.
De trilogie laat tenslotte zien wat de verbeelding doet. Verschijnt eenmaal de Tweeling in het verhaal, dan gaat deze zijn eigen gang. Kristóf lijkt niet meer in staat om Lucas of Claus in het gareel te houden. De personages zijn haar de baas in de herinneringsruimte van de roman, waar onbekende wetten van de verbeelding heersen. Ingezet tegen de vervreemding en de eenzaamheid ontpopt de verbeelding zich als herhaalde leugen. Als schrijver in ballingschap opent Kristóf ons de ogen voor het menselijke drama van de ontheemding en eenzaamheid van de balling. In zijn ‘Alibis, Essays on Elswhere’ herinnert André Aciman aan de Franse filosoof Merleau-Ponty, die spreekt over fantoompijn van het geheugen, gevoel over iets dat niet meer bestaat. Ballingschap roept fantoompijn op, gevoelens over wat is afgerukt – de jeugd, het geboorteland. 
De trilogie van Kristóf is een aangrijpend werk, geschreven in grote eenvoud als van een sprookje ‘Er was eens...’, het allergrimmigste sprookje van het verloren geboorteland en de verloren jeugd, van een leven op drift.
Derk Cools
  • Behalve de trilogie schreef Kristóf o.a. De Analfabete, Gisteren, Ergens (korte verhalen). Zij kreeg in 2011 de nationale, Hongaarse Kossuth prijs voor haar gehele oeuvre. Voor het Dikke Schrift ontving zij de Europese prijs voor Frans-talige literatuur.